Ik troost
je zwakke hand
En fluister
Zachte woorden
die alleen jij en ik
kennen
Die alleen ik
ken
(geplaatst in ZIN maart 2006)

's morgens als de zon gaat stijgen
zie ik hen de berg op hijgen
twee koeien aan een kleurig touw
getrokken door een sluiervrouw
ze zwiepen bozig met hun staart
zij wil sneller, zij wil vaart
ze maant hen met haar strenge stok
de koeienvrouw in zwarte rok
de beesten happen hier en daar
hun scharrelkostje bij elkaar
zes ogen op de berm gericht
stijgen langzaam uit mijn zicht
het licht daalt en zo ook de vrouw
de koeien volgen haar weer trouw

Ik dacht ut al, toen ik in mei
Naar buiten werd gedrage
Ik dacht ut al, da klopt toch nie
Un kerststal mé deez dage
En nergens diejen grijze mins
Mé zun pet en zun sigaar
Hij flanste men in inne middag
Vur slès ooit in elkaar
Nou sta ik in un hil vrimd huis
En Kerstmis kumt er an
Twee kiendjes en un kwispelhundje
Daor word ik wiebel van
Ut meiske frot un lèmpke
Dur de strooikus van men dak
Mar mé zo'n rooigloei knipperding
Ben 'k heel nie op men gemak
De kunningen, dur zen dur twee
Dun andere is gevalle
Die moete ginds, bij ut gordijn
En nog nie bij de stalle!
Ut hundje nimt un schùpke mee
En bet um rap in twee
Dan springt-ie tegen men daksken op
Dun engel suist naor benee
Ik heur nie in zo'n jong gezin
Ze zen me hier te vlug
Ik wil wir naor men ouwe vriend
Waorum brengt niemus men terug?
As ut ventje mé de schùpkus speult
Zun wengskes van spanning rood
Dan heur ik um zuutjes vrage:
hoe lang bleft Opa nog dood?
(derde prijs Brabantse kerstgedichtenwedstrijd 2005)

Met mijn goudgerande vleugels
glanzend haar en glitterlak
Lig ik samen met mijn zussen
lijdzaam in een engelenbak
Een voor een worden de anderen
gekozen, en ze mogen mee
Een dame of een kindje
laat ze vlinderen, als fiere fee
'n Meisje ziet mij en ze wil me
kopen met te weinig geld
Blijf af, zo petst haar moeder
In het knuistje dichtgekneld
klinkt KRAK. Mijn vleugeltje gebroken
word ik voorzichtig teruggelegd
Sorry hoor, fluistert het meisje
Friemelt schuchter aan haar vlecht
Daar lig ik en het is al bijna
Kerstmis, 'k heb nog steeds geen thuis
Begin nu heftig te verlangen
naar een warm verzorgingshuis
Het nieuwe jaar is daar en hup
verdwijn ik in een klikobak
Met dooie ballen en wat slingers
als rood-goud-glitter schervenprak
Daar, denk ik aan het lieve meisje
dat door haar moeder werd betrapt
Ze zou voor mij een engel wezen
als ze me toen toch had gegapt
(finale Brabantse kerstgedichtenwedstrijd 2004)